Verraderlijke vrienden
Een Nederlandse familie gaat op vakantie naar Israël als een soort eerbetoon aan hun overleden moeder. De reis is indrukwekkend, maar veel contact met de bevolking hebben ze niet. Totdat een Arabische man bij een benzinepomp hen vraagt of ze zijn broer een lift willen geven naar Jeruzalem. Zo ontmoeten ze Mahmoud, een jeugdige Palestijn, die een doos bij zich heeft waarvan ze niet precies weten wat er in zit. Tijdens de autorit horen ze van hem het een en ander over het leven van Palestijnen in Israël. Sharon vindt de Palestijnse jongen aardig. Haar broer Thomas vindt dat hij bij het passeren van de grens tussen Israëlisch en Palestijns gebied wel heel erg zenuwachtig wordt en begint hem te wantrouwen. Zou hij misschien iets te maken hebben met een Palestijnse terreurorganisatie? Sharon en zijn vader willen over een dergelijke verdachtmaking niets horen. Thomas besluit echter Mahmoud goed in de gaten te houden. Geleidelijk aan nemen de gebeurtenissen een huiveringwekkende wending.
“Sharon had er echter niets mee te maken en hoorde niet bij een strijdende partij. Wel kon ze heel goed meepraten over de conflicten en spanningen in zijn land, opvallend goed zelfs voor iemand die hier niet woonde: ’ik kan niet begrijpen dat een Palestijn de joden zo verschrikkelijk haat dat hij zichzelf op een markt in Jeruzalem wil opblazen, of dat een jood in een moskee op biddende moslims begint te schieten’.“
“De vraag bracht Abdel in verlegenheid. Het liefst had hij verteld dat zijn familie uit Jaffa was verdreven en dat hij daar, in het grote luxe huis dat eigenlijk van zijn familie was, honderd maal prettiger zou hebben gewoond dan in het huis dat hij nu deelde met zijn ouders, zijn vrouw en zijn kinderen. Hij zou zich dan kwaad maken, en zich laten gaan, en op de Israëliërs gaan schelden. Dat was in een andere situatie geen probleem. Integendeel, schelden op de Israëliërs luchtte op en schiep een band met zijn Palestijnse vrienden. Tegenover deze mensen moest hij echter de schijn ophouden dat hij probleemloos met hen samenwerkte. En wat had het voor zin? Hoe konden rijke buitenlanders als Leon en Thomas ooit begrijpen hoe het was om met zeven mensen te moeten leven in een klein huis met afbrokkelende muren, vol dichtgesmeerde spleten en scheuren die, om ze een enigszins draaglijke aanblik te geven, in twee kleuren waren geschilderd: hoe konden ze ooit begrijpen hoe het was om met zeven mensen één kraan te moeten delen die eeuwig druppelde in een kleine zinken teil die dienst deed als was- en spoelbak.”
“Voetje voor voetje schuifelde Sharon door de verduisterde grot, met haar linkerhand op de handrail. In haar rechterhand hield ze een grote bos bloemen. Het was vroeg in de morgen. De toeristen moesten nog komen. Ze had dit tijdstip gekozen om alleen te zijn met haar gedachten, alleen met haar herinneringen. ‘Esther…7 jaar, Mirjam…9 jaar.’ Namen van kinderen die een zinloze dood waren gestorven, die het slachtoffer waren geworden van onverdraagzaamheid, van racisme, van de meedogenloze waanzin die Hitler en zijn trawanten ertoe hadden aangezet om de joden in hun rijk op te ruimen.”


