Skip to content

De verdwenen grenadier

De verdwenen grenadier

De verdwenen grenadier

Het is september 1799. De Fransen en hun Nederlandse aanhangers, de Patriotten, maken de dienst uit in Nederland. Matthijs Giesz hoopt dat de Fransen spoedig verdreven zullen worden. Dat zal een einde maken aan zijn zorgen, denkt hij. Bij Matthijs thuis is namelijk een Franse grenadier ondergebracht. Als hij merkt dat zijn zus wel erg gecharmeerd is van Kloot, zoals hij soldaat Claude noemt, krijgt hij behoorlijk de pest in. Op een dag krijgt hij een raadselachtige boodschap. Iemand wil hem in het geheim ontmoeten, buiten de stadspoort op de weg door de Alkmaarder Hout. De gevolgen van die ontmoeting had hij nooit kunnen voorzien.

“Met een kordaat gebaar sloeg de boer het dekzeil terug. Onthutst staarde hij naar het lijk van de Franse soldaat dat door een onbekende speling van het lot in zijn schuit was terechtgekomen. De jute zakken waar het lijk op lag, zaten onder het bloed en op de bodem had zich een roestbruin plasje gevormd. In de verte, op de kade, naderde iemand. Met een snelle beweging trok de boer het zeil weer op zijn plaats, ervoor zorgend dat ook de arm en de hand bedekt werden.”